Op 1 mei 2026 trad Verordening (EU) 2026/78 van de Commissie in werking, de achtste in een reeks Omnibus-besluiten tot wijziging van de EU-cosmeticaverordening (EG) nr. 1223/2009, geheel zonder overgangsperiode. Achttien stoffen, waaronder diverse vormen van zilver, meerwandige koolstofnanobuisjes, trimethylboraat en acetonoxim, werden direct in bijlage II als verboden opgenomen. Dit betekende dat cosmetica met een van deze stoffen, die al in de Europese Unie in de schappen lag, op diezelfde dag illegaal werd om te verkopen en niet op een toekomstige uitverkoopdatum. Tweeënhalve maand later, op 15 juli 2026, handhaafde Groot-Brittannië een ander verbod met een andere tijdlijn: het eigen Statutory Instrument 2026/23 verbood 3-(4'-methylbenzylideen)-kamfer, met een uitverkoopperiode tot 14 januari 2027. Dit is een respijtperiode die de EU-versie nooit bood.

Die kloof, dezelfde onderliggende veiligheidswetenschap maar twee verschillende handhavingstijdlijnen, is op dit moment het bepalende kenmerk van naleving in de Europese cosmeticasector. De EU bepaalt het referentieregime via Verordening (EG) nr. 1223/2009, maar het Verenigd Koninkrijk hanteert sinds de Brexit zijn eigen behouden versie, en Zwitserland voegt nationale afwijkingen toe bovenop een kader dat het overigens nauwlettend volgt. Een complianceteam dat alleen Brussel volgt, zal echte, bindende deadlines in Londen en Bern missen.

Welke toezichthouders sturen de handhaving voor cosmetica in Europa daadwerkelijk aan?

Drie afzonderlijke autoriteiten bepalen het tempo en geen van hen schikt zich naar de anderen. De Europese Commissie, geadviseerd door het Scientific Committee on Consumer Safety (SCCS), wijzigt de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 via het Omnibus-mechanisme, terwijl de bevoegde autoriteit van elke lidstaat de regels handhaaft via de verplichte Responsible Person en het Cosmetic Product Notification Portal (CPNP). In Groot-Brittannië actualiseert het Office for Product Safety and Standards (OPSS) de behouden, uitsluitend voor Groot-Brittannië geldende versie van dezelfde verordening op grond van bevoegdheden verleend door de Product Safety and Metrology etc. (Amendment etc.) (EU Exit) Regulations 2019, terwijl Noord-Ierland op één lijn blijft met het EU-origineel onder het Windsor Framework. Het Zwitserse Federal Food Safety and Veterinary Office (FSVO) neemt de EU-bijlagen over het algemeen door middel van verwijzing over via artikel 54 van de Foodstuffs and Utility Articles Ordinance, maar artikel 6 van de eigen Cosmetics Ordinance formuleert specifieke nationale uitzonderingen.

Het praktische effect is dat een formulering die op een bepaalde datum in Parijs legaal is, in Londen al illegaal kan zijn, of in Zürich aan een strengere limiet kan zijn onderworpen, puur door de vraag welke instantie voor het laatst de desbetreffende bijlage heeft aangepast.

Wat is er veranderd voor verboden ingrediënten onder Omnibus VIII en is er een respijtperiode?

Verordening (EU) 2026/78, aangenomen op 12 januari 2026 en van toepassing vanaf 1 mei 2026, heeft de bijlagen II, III, IV en V van de EU-cosmeticaverordening bijgewerkt om de CMR-classificaties weer te geven die zijn vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/2564. De Commissie voegde de perboorzuurgroep, diverse zilvervormen, meerwandige koolstofnanobuisjes, trimethylboraat, N,N'-methyleendiacrylamide en acetonoxim toe aan de lijst van verboden stoffen in bijlage II. Tevens werden de concentratielimieten voor o-fenylfenol in bijlage V aangescherpt, terwijl natrium-o-fenylfenaat werd toegevoegd aan dezelfde vermelding voor toegestane conserveermiddelen. Omdat geen van de betrokken stoffen een veiligheidsadvies van het SCCS ontving ter ondersteuning van voortgezet gebruik, paste de Commissie de standaardregel van artikel 15 voor CMR-stoffen toe: een verbod zonder aanpassingsperiode. Elk product dat een nieuw verboden ingrediënt bevatte, moest uiterlijk op 1 mei 2026 van de EU-markt zijn, ongeacht of het nieuw was gelanceerd of al in een magazijn lag.

Er loopt al een afzonderlijk traject achter Omnibus VIII aan. Omnibus VI, voorgesteld als COM(2025) 531 final op 8 juli 2025 en op 16 juni 2026 tot een voorlopig politiek akkoord gekomen tussen onderhandelaars van het Parlement en de Raad, zou de cosmeticaverordening opnieuw wijzigen, samen met de CLP-verordening en de verordening inzake bemestingsproducten. Dit keer wordt de uitfaseringsklok voor toekomstige CMR-verboden verkort tot 6 maanden om te stoppen met het op de markt brengen van een product en 12 maanden om te stoppen met het aanbieden ervan, terwijl de verplichte kennisgeving voorafgaand aan het op de markt brengen voor nanomaterialen behouden blijft.

In hoeverre wijkt het VK af van het EU-cosmeticaregime?

Sinds de Brexit voert Groot-Brittannië de behouden versie van Verordening (EG) nr. 1223/2009 uit als een eigen instrument, dat wordt bijgewerkt door OPSS in plaats van door de Commissie, waardoor beide trajecten niet langer synchroon lopen. Statutory Instrument 2026/23, ingediend in januari 2026, verbiedt 3-(4'-methylbenzylideen)-kamfer (4-MBC) vanaf 15 juli 2026. Hierbij mogen producten die voor die datum op de markt zijn gebracht, worden verkocht tot 14 januari 2027. Afzonderlijk worden zestien stoffen, geclassificeerd als CMR categorie 1B of 2 onder de GB CLP Regulation, toegevoegd aan bijlage II vanaf 15 augustus 2026, met een uitverkoopdeadline van 14 februari 2027. Hetzelfde instrument verlaagt de drempel voor het waarschuwingsetiket voor formaldehyde-afgevende conserveermiddelen van 0,05% naar 0,001%, eveneens met ingang van 15 juli 2026. OPSS stelde de WTO op 27 november 2025 in kennis van een volgend ontwerp, een tweede instrument voor 2026, dat nog dertien CMR-stoffen, waaronder nanozilver, ozon en distikstofoxide, zou toevoegen aan de bijlagen II en III.

Noord-Ierland is de uitzondering binnen de uitzondering: onder het Windsor Framework blijft het het EU-origineel rechtstreeks toepassen. Een enkel bedrijf dat in het hele VK actief is, kan hierdoor drie verschillende bijlage II-lijsten (Groot-Brittannië, Noord-Ierland en wat de EU hierna goedkeurt) tegelijkertijd hanteren voor hetzelfde portfolio.

Jurisdictie / instrumentBelangrijkste wijziging in 2026Van toepassing vanafUitverkoop toegestaan
EU, Verordening (EU) 2026/78 (Omnibus VIII)18 CMR-stoffen toegevoegd aan bijlage II; limieten in bijlage V aangescherpt1 mei 2026Geen
Groot-Brittannië, SI 2026/234-MBC verboden; etiketdrempel voor formaldehyde verlaagd naar 0,001%15 juli 2026Tot 14 januari 2027
Groot-Brittannië, SI 2026/2316 extra CMR-stoffen toegevoegd aan bijlage II15 augustus 2026Tot 14 februari 2027
Zwitserland, Cosmetics Ordinance art. 6(1)Som van 8 furocoumarinemarkers beperkt tot 1 ppm in alle leave-on producten die aan de zon worden blootgesteld1 januari 2026Alleen bestaande voorraad

Waarom handhaaft Zwitserland een strengere limiet voor blootstelling aan de zon dan Brussel?

Het uitgangspunt van Zwitserland is om de EU-bijlagen in hun geheel over te nemen, maar artikel 6 van de eigen Cosmetics Ordinance kent benoemde uitzonderingen en furocoumarines vormen hiervan het duidelijkste voorbeeld in 2026. De vermelding 358 in bijlage II van de EU beperkt furocoumarines tot 1 mg per kg, uitsluitend in zonnebrandmiddelen en zelfbruinende producten. De herziene Zwitserse verordening, van kracht sinds 1 januari 2026, past dezelfde limiet van 1 ppm toe, gemeten als de som van acht specifieke furocoumarinemarkers, op elk leave-on cosmeticaproduct dat bij normaal gebruik direct aan zonlicht kan worden blootgesteld. Dit is een categorie die crèmes, oliën en lipverzorgingsproducten raakt waar de EU-regel geen betrekking op heeft, waarbij parfums, eau de toilette en eau de cologne worden uitgezonderd. Het Federale Departement van Binnenlandse Zaken heeft de wijziging op 20 november 2025 aangenomen en expliciet geformuleerd als een nationale afwijking van de EU-bijlage en niet als een implementatie daarvan.

Het feit dat Zwitserland in 2026 is afgestapt van het Cassis de Dijon-principe, versterkt het effect. Nationale eisen zoals deze gelden nu zowel voor geïmporteerde als in het binnenland vervaardigde cosmetica, waardoor een route is afgesloten die sommige bedrijven voorheen gebruikten om EU-conforme formuleringen ongewijzigd op de Zwitserse markt te verkopen.

Welk compliancerisico ligt in het verschiet: PFAS onder REACH en de kwestie rondom dierproeven?

Twee langzamer lopende dossiers zullen de komende jaren vormgeven. Het Risk Assessment Committee van ECHA keurde op 2 maart 2026 zijn definitieve advies goed over de voorgestelde universele PFAS-restrictie en het Socio-Economic Analysis Committee sloot op 25 mei 2026 zijn openbare raadpleging over het ontwerpadvies, waarbij een definitief advies eind 2026 wordt verwacht voordat de Commissie wetgeving opstelt. Sectorrichtlijnen verwachten over het algemeen niet dat de resulterende beperking voor 2029 van toepassing zal zijn, hoewel cosmetica een van de sectoren is waar de comités weinig bereidheid hebben getoond voor uitzonderingen. Los daarvan beschermt het EU-verbod op dierproeven voor afgewerkte cosmetica en de ingrediënten daarvan onder artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1223/2009 leveranciers van ingrediënten niet volledig tegen REACH. De uitspraak van het Gerecht van 22 november 2023 in de Symrise-zaak bevestigde dat ECHA nog steeds dierproeven op gewervelde dieren kan eisen voor een stof die uitsluitend in cosmetica wordt gebruikt, als de gegevens nodig zijn om risico's voor werknemers of het milieu te beoordelen. De roadmap van de Commissie van 1 juni 2026 voor de geleidelijke afschaffing van dierproeven erkent deze spanning, maar lost deze niet op binnen een bindend tijdschema.

Geen van deze dossiers heeft al een harde compliancedatum voor 2026 of 2027, maar beide zullen uiteindelijk dwingen tot beslissingen over herformulering met doorlooptijden die in jaren en niet in maanden worden gemeten. Precies daarom moeten ze op een compliancekalender staan ver voordat een voorstel een verordening wordt.

Wat moet een complianceteam nu doen?

Het patroon in de EU, het VK en Zwitserland in 2026 is dat verboden op ingrediënten met minder en niet met meer waarschuwing vooraf komen. Omnibus VIII gaf EU-bedrijven geen aanpassingstijd zodra het SCCS zich had uitgesproken. Het Britse SI 2026/23 biedt op zijn minst een uitverkoopperiode, maar volgens een eigen afzonderlijk schema, en Zwitserland kan een limiet eenzijdig aanscherpen, zelfs als het zich verder naar Brussel schikt. Door Verordening (EG) nr. 1223/2009 als de enige bron van waarheid voor een Europees portfolio te beschouwen, mist men het volgende ontwerp waarvan de WTO in het VK in kennis is gesteld, en de volgende wijziging van de Zwitserse verordening.

Obsidian volgt de EU Omnibus-pijplijn, de OPSS statutory instruments en WTO-kennisgevingen van het VK, en de wijzigingen in de Zwitserse Cosmetics Ordinance als afzonderlijke maar verbonden stromen. Hierdoor hoeft een team niet drie toezichthouders te controleren om te weten of een formulering nog steeds overal verkoopbaar is waar deze naartoe wordt verzonden. Het instellen van monitoring per jurisdictie signaleert een nieuwe Omnibus-verordening, een Brits statutory instrument of een Zwitserse wetswijziging op het moment van publicatie, in plaats van na een oponthoud bij de douane. De AI companion kan een directe vraag over een specifieke bijlagevermelding of de huidige uitverkoopdeadline van een jurisdictie rechtstreeks beantwoorden vanuit de geverifieerde regelgevingsdatabase van Obsidian, en teams die hun eigen compliancetools beheren, kunnen dezelfde onderliggende gegevens ophalen via de MCP-integratie. Met de PFAS-restrictie en de volgende Britse CMR-golf nog in het verschiet, is de veiligere planningsaanname voor een Europees cosmeticaportfolio dat 2027 ten minste evenveel uiteenlopende deadlines zal brengen als 2026 deed.